over producten

De familie radijs

radijs-familie-productfotografie Annemarie Sabelis

 

Het is een pittig gezelschap deze familie van wortels en knollen. De één smaakt nog net wat peperiger dan de ander maar krokant en sappig zijn ze eigenlijk allemaal.

 

Wij Nederlanders zijn er gek op en eten graag de kleine roodwit gekleurde radijssoorten. Elders pakken ze het grootser aan. De Indiaase mooli of Japanse daikon is een flinke wortel die meer dan 30 centimeter groot kan worden en de Japanse ronde kabu is zo groot als een dikke goudreinet. Ook geen kleine jongen dus. Daikon en kabu zijn iets milder en smaken ietwat bitter in vergelijking met onze eigenste scherpe bosradijsjes.

Radijzen zijn het hele jaar door te krijgen maar vooral lekker in het voorjaar en de vroege zomer want het is een vroeg gewas. Denk maar aan de tijd dat je nog een schooltuintje had en radijs een van de eerste groenten was die je kon oogsten.

Radijs wordt meestal rauw gegeten in plakjes, blokjes, juliennereepjes of in z’n geheel met een lekkere dip met romige yoghurt bijvoorbeeld of een vinaigrette met kappertjes en ansjovis.

Maar ook gestoofd is radijs lekker. Op z’n Chinees met soyasaus en suiker bijvoorbeeld of gebakken in een beetje boter of olie. Toch maakt deze bereidingswijze maar bij weinig mensen deel uit van het repertoire. Probeer het gewoon eens zou ik zeggen. Het is heerlijk, zeker als je de grote scherpe red meat radijs op de kop kunt tikken. Die is paarsrood van binnen, stevig van tekstuur en heeft iets weg van een meiraapje en smaakt geblancheerd ook wonderwel. Wel eerst even schillen. 

Radijs tot pulp raspen is trouwens ook lekker om je belegde boterham nog een extraatje mee te geven. Vooral met de uit de kluiten gewassen daikon is dat heel makkelijk. Zo zie je maar, het is eigenlijk altijd prijs met elke radijs.